Een clubdiplomadag omvat proeven van kunstmatige aard, waarbij van de jachtpraktijk
wordt uitgegaan en waardoor zoveel mogelijk de jachteigenschappen en de mate van
dressuur, dat wil zeggen de bruikbaarheid voor het werk ná het schot, beoordeeld kunnen
worden.
De proeven en hun beoordeling:
De omschrijving van de opzet, uitvoering van de proeven en de eisen waaraan de
volmaakte uitvoering ervan dient te voldoen, zijn in overeenstemming met het gestelde in
het ORWEJA-regelement.
Bij de opzet en uitvoering van de proeven A t/m H dient rekening gehouden te worden met
het feit dat de proeven worden afgelegd met dummy's ( minder verwaaïng ).
Het karakter van de Clubdiplomadag dient een stimulerende werking te hebben op de
voorjagers.
De proeven:
De C-proeven
Proef A aangelijnd en los volgen.
De hond moet zijn voorjager over een traject van ongeveer 40 meter volgen. Dit traject
moet eerst
aangelijnd en vervolgens onaangelijnd worden afgelegd.
Het traject heeft een vorm van eeen langgerekte zandloper waardoor de voorjager steeds
twee bochten
met zijn hond aan de binnenkant en twee bochten met zijn hond aan de buitenkant moet
maken.
Tijdens het onaangelijnd volgen moet de voorjager halsband enlijn op een door de
keurmeester
aaangewezen plaats achterlaten.
Proef B uitsturen en komen op bevel.
De hond moet zonder halsband of lijn worden uitgezonden en moet op een afstand van
ongeveer 30
meter vodoende vrij in beweging zijn.
Daarna moet de hond op bevel naar de voorjager komen. De voorjager moet dit bevel
geven onmiddelijk
nadat de keurmeester hem dit opdraagt.
Proef C houden van de aangewezen plaats.
De hond moet, zonder halsband of lijn en zonder dat enig voorwerp bij de hond is
achtergelaten, de hem
aangewezen plaats houden tot zijn voorjager hem weer ophaalt.
De voorjager dient 2 volle minuten buiten het zichtsveld van de hond verblijven.
Proef D apport te land.
De hond moet, zonder halsband of lijn een , in overzichtelijk terrein, weggeworpen dummy
apporteren.
Proef E apport uit diep water.
De hond moet, zonder halsband of lijn, een in overzichtelijk, diep water geworpen dummy
apporteren. Als
de dummy op zijn hoogste punt is na het werpen volgt een schot. De hond mag de dummy
pas
apporteren na een teken van de keurmeester.
De B-proeven;
Proef F verloren apport te land.
De hond moet, zonder halsband of lijn, een in dichte dekking geworpen dummy
apporteren.
Proef G markeerapport te land.
De hond mag los of aangelijnd worden voorgejaagd. De dummy wordt op ongeveer 60
meter, op een
open plaats van de voorjager en hond geworpen, de hond dient deze na een teken van de
keurmeester te
apporteren.
Bij aangelijnd voorjagen start je met maximaal 8 punten.
Proef H apport over diep water.
De hond moet, zonder halsband of lijn , een aan de overzijde van een breed diep water
een
weggeworpen dummy apporteren.
De A-proeven;
Proef I dirigeer proef te land.
De hond moet zonder halsband of lijn, nadat hij door de voorjager via een stopplaats naar
de valplaats is
gedirigeerd, een houtduif apporteren.
Proef J apport van verre loper over breed water.
De hond moet zonder halsband of lijn, een aan de overzijde van een breed diep water ver
weggesleepte
wilde eend apporteren. Hij dient gebruik te maken van het sleepspoor.
| < Vorige | Volgende > |
|---|